SERV vraagt Vlaamse garanties voor buitenschoolse kinderopvang en activiteiten
Gepubliceerd op
De sociale partners hebben op eigen initiatief een advies uitgebracht over de hervormingen binnen de buitenschoolse kinderopvang en activiteiten (BOA). Vanaf 1 september 2026 moeten alle lokale besturen een eigen BOA-beleid uitwerken.
De lokale besturen zullen de erkenning, de regie, het toezicht en de handhaving van het BOA-beleid in goede banen moeten leiden. Toch blijven de sociale partners binnen de Sociaal Economische Raad van Vlaanderen (SERV) zich zorgen maken over die samenvallende rollen. Daarom vragen ze duidelijke waarborgen van het Vlaamse niveau.
(samen trekken aan buitenschoolse opvang en activiteiten)
BOA is er voor alle kinderen
Net zoals bij de kinderopvang voor baby’s en peuters (0-3 jaar) heeft de BOA drie evenwaardige functies: economisch, pedagogisch en sociaal. BOA is er dus met andere woorden voor alle kinderen en niet enkel voor kinderen van werkende ouders. Dat is een belangrijk uitgangspunt van het advies. Een aanbod dat onvoldoende aangepast is voor de behoeften van alle ouders heeft gevolgen voor de economie, de arbeidsmarkt, de druk op gezinnen, het onderwijs en de ontwikkeling van kinderen.
Kwalitatief en toegankelijk aanbod
Net zoals in de voorschoolse kinderopvang dreigen er binnen het BOA-beleid van sommige lokale besturen beperkende voorrangsregels binnen te sluipen. De sociale partners stellen dat lokale besturen de principes van het Grondwettelijk Hof arrest nr 72/2025 moeten respecteren. Om de kwaliteit van BOA te garanderen op elke locatie vraagt de SERV om centrale kaders rond kwaliteit, erkenning, toezicht en handhaving te hanteren. Daarin moeten duidelijke verwachtingen en toetsingscriteria opgenomen worden. Het blijven publieke middelen die geïnvesteerd worden voor het welzijn van de jongste kinderen en die moeten kwaliteitsvol worden besteed.
Ondersteun samenwerkingsverbanden
De lokale besturen dienen bij de uitrol van het BOA-beleid in overleg te gaan met de lokale samenwerkingsverbanden. Maar in de praktijk blijken veel lokale besturen de oprichting ervan (dat bij decreet verplicht is) uit te stellen tot na de invoering van de kaders voor erkenning en toezicht. De SERV stelt dat de samenwerkingsverbanden een minimale en sterkere slagkracht moeten krijgen om minstens de neutraliteit en de regierol van het lokale bestuur te garanderen.
Kwaliteitsvol werken in de sector
De buitenschoolse kinderopvang en activiteiten staat niet bekend om de meest aantrekkelijke lonen en arbeidsvoorwaarden. Bovendien wordt er ook vaak gewerkt met deeltijdse en kortlopende contracten of met vrijwilligers. De sociale partners vinden dat iedereen in de sector moet kunnen rekenen op werkbaar werk en voldoende sociale bescherming. Er is daarom nood aan een breed medewerkersbeleid dat ruimte biedt aan voldoende competenties, pedagogische ondersteuning en een goede verhouding tussen het aantal deelnemers en het aantal begeleiders. Uiteraard moeten de organisatoren dan kunnen rekenen op voldoende en stabiele financiering van de lokale overheden.
Monitoring en expertise zijn onmisbaar
Binnen het huidige BOA-beleid werden beperkte doelstellingen uitgewerkt met betrekking tot de monitoring. Zo werden er enkel verwachtingen omtrent financiële rapportering in het kader van de beleids- en beheerscyclus van de lokale en de provinciale besturen (BBC) en over het aantal aangeboden plaatsen tijdens de verschillende opvangmomenten opgesteld. Voor de sociale partners moet dat veel verder gaan en dienen er minstens ook gegevens verzameld te worden van het gebruik, het bereik, prijsbeleid, financiering en erkenningskaders. Een uitgebreide monitoring is ook belangrijk om de democratische controle en lokale bijsturingen mogelijk te maken.
Auteur: ayoubi.benali@vlaamsabvv.be