Negatief advies: afschaffing van rookkamers in publieke instellingen en ondernemingen en rookverbod terrassen
Gepubliceerd op
De Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het Werk heeft recent een adviesaanvraag gekregen over wijzigingen van de wet van 22 december 2009 betreffende een regeling voor rookvrije plaatsen en ter bescherming van de bevolking tegen tabaksrook, in uitvoering van het Arizona-regeerakkoord.
Op 28 januari 2026 brachten de sociale gesprekpartners in de Hoge Raad unaniem een negatief advies uit over de ontwerptekst. Het voorontwerp van wet had tot doel om een verbod op rookkamers in te voeren in publiek toegankelijke instellingen (mits enkele uitzonderingen). In ondernemingen (momenteel zijn ze toegestaan na een advies van het CPBW) en op de terrassen van Horeca-zaken moest eveneens een verbod ingevoerd worden.
Hoe is het nu geregeld?
De huidige regeling voor de bescherming van werknemers tegen tabaksrook zit vervat in de wet van 22 december 2009, betreffende een regeling voor rookvrije plaatsen en ter bescherming van de bevolking tegen tabaksrook. Deze regeling is van toepassing op de werkgevers en werknemers, en op de daarmee gelijkgestelde personen, die vallen onder het toepassingsgebied van de Welzijnswet.
Elke werknemer heeft het recht te beschikken over werkruimten en sociale voorzieningen, vrij van tabaksrook. In afwijking op het rookverbod bestaat de mogelijkheid te voorzien in een rookkamer binnen de onderneming, na een eerder advies van het CPBW.
Ondanks het feit dat de sociale gesprekpartners zich bewust zijn van de gezondheidsrisico's die zowel aan actief, als aan passief/tertiair roken verbonden zijn, reikten de voorgestelde maatregelen verder dan het doel van de wetgeving in kwestie.
De doelstelling in kwestie waarborgt het recht van alle werknemers op rookvrije werkruimte.
Praktische bezwaren van de sociale gesprekpartners tegen het voorontwerp van wet
- Er zijn nog maar een relatief beperkt aantal ondernemingen waarin nog een rookkamer aanwezig is. In de meeste ondernemingen wordt het rookbeleid vandaag vormgegeven via rookplaatsen in openlucht, vaak beschermd tegen weersomstandigheden, maar niet volledig afgesloten.
- Er zijn specifieke werksituaties waarin een algemeen verbod op rookkamers problematische gevolgen kan hebben. Niet alle werknemers beschikken over de mogelijkheid om tijdens de werkdag naar buiten te gaan om te roken. Dit kan onder meer het geval zijn wegens:
- de omvang of geslotenheid van de gebouwen;
- de lange verplaatsingstijd die gepaard gaat met het verlaten en opnieuw betreden van de werkplek;
- de onmogelijkheid om de werkpost te verlaten tijdens de arbeidstijd;
- strikte veiligheids- of hygiëneprocedures bij het verlaten of betreden van de werkplek (bijvoorbeeld in zorginstellingen of productieomgevingen in de voedingsindustrie).
- Er moet vermeden worden dat de afschaffing van rookkamers zou leiden tot ongewenste neveneffecten, waarbij werknemers roken op plaatsen waar dit verboden is, met bijkomende risico’s voor veiligheid en gezondheid.
- Het rookbeleid in ondernemingen wordt traditioneel ontwikkeld in overleg met het personeel, net om spanningen en een verschil in behandeling tussen rokers en niet-rokers te vermijden. Een uniform wettelijk verbod, opgelegd zonder ruimte voor overleg, wordt door de Hoge Raad dan ook niet beschouwd als een aangewezen aanpak. De Hoge Raad pleit daarom nadrukkelijk voor het behoud van het sociaal overleg op ondernemingsniveau als primair instrument om de (eventuele) afschaffing van rookkamers te bespreken.
Aanbevelingen van de HRPBW:
- Bij de vaststelling van de technische eisen voor rookkamers mogen geen buitensporige vereisten worden opgelegd.
- De essentie van de regeling moet alle werknemers het recht geven om te genieten van lucht zonder tabaksrook in alle ruimtes waar zij tewerkgesteld zijn of toegang tot hebben in het kader van hun werk. Er wordt best in de onderneming zelf besproken, via het sociaal overleg, hoe dit tot stand kan komen.
- Sociaal overleg vormt ook het geschikte kader om stapsgewijs vooruitgang te boeken met respect voor het fysiek en mentaal welzijn van alle werknemers. Dit overleg dient te worden ondersteund door:
- gerichte sensibiliseringscampagnes;
- een versterkt en toegankelijk aanbod van individuele rookstopbegeleiding.
Auteur: Anna.Makhova@abvv.be