Veralgemening flexi-jobs : advies Raad van State
Gepubliceerd op
Op 25 maart 2026 werd door de afdeling Wetgeving van de Raad van State het advies 78.901/16 uitgebracht over het voorontwerp van wet houdende diverse bepalingen inzake flexi-jobs (i.e. het wetsontwerp dat de flexi-jobs wenst te veralgemenen, zie ook het Echo artikel van 22 oktober 2025 ‘Veralgemening flexi-jobs: advies NAR').
Het advies is vrij vernietigend.
De voornaamste geuite kritieken zijn:
- Het feit dat flexi-jobs een vorm van staatssteun zijn die aangemeld moet worden bij de Europese Commissie;
- De ernstige twijfels over de verenigbaarheid van de verdere uitbreiding van het toepassingsgebied van de regeling van de flexi‑jobs met de grondwettelijke beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie.
In dit artikel gaan we in op die laatste kritiek.
Verschil in behandeling flexi-jobs en reguliere tewerkstelling
De voor het stelsel van flexi-jobs geldende bijzondere bepalingen op het vlak van arbeids-, sociaal- en fiscaalrechtelijk vlak, zijn al langer een doorn in het oog van de Raad van State.
Een verschil in behandeling tussen categorieën van personen is enkel in lijn met de Grondwettelijke beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie voor zover het berust op een objectief criterium en redelijk verantwoord is (i.e. dat er een redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel).
|
Toen het stelsel van flexi-jobs initieel ingevoerd werd, specifiek voor de horeca, werd dit door het Grondwettelijk Hof in haar arrest nr. 107/2017 van 28 september 2017 in lijn geacht met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. De nadien gefaseerd doorgevoerde uitbreidingen van het stelsel werden niet aan het Grondwettelijk Hof voorgelegd. |
De Raad van State merkt op dat de regering op geen enkele manier aannemelijk maakt dat de volledige arbeidsmarkt nood heeft aan een flexibele regeling van tewerkstelling [i.e. het stelsel van flexi-jobs].
Bovendien, zelfs aangenomen dat de nood aan flexibele arbeidskrachten op piekmomenten kan verantwoorden dat specifieke tewerkstellingsmaatregelen worden genomen, betekent dat op zich volgens de Raad van State niet dat er een voldoende verantwoording bestaat voor de verregaande begunstiging waarmee de tewerkstelling via flexi‑jobs gepaard gaat.
De Raad van State gaat hier nog verder op in en merkt bijkomend op dat het werkgevers en werknemers vrij staat om al dan niet gebruik te maken van het stelsel van flexi-jobs.
Maar dat om te kunnen genieten van dezelfde gunstige (arbeids-, sociaal- en fiscaalrechtelijke) voorwaarden, van de werkgever of de werknemer een structurele herschikking van de arbeidsorganisatie, respectievelijk de loopbaan, vereist wordt.
Wat nog meer de pertinentie en de evenredigheid van de algemene uitbreiding ondermijnt.
En dat niets lijkt te beletten dat, wat de werkgever betreft, ook structurele arbeidsbehoeften zullen worden ingevuld met flexi-jobs.
De Raad van State verwijst ook naar een analyse van de Nationale Bank van België waaruit blijkt dat In heel wat gevallen het blijkbaar niet gaat om bijkomende arbeidsprestaties, maar over werknemers die eerst de werktijd in hun hoofd-job verminderen om dan een fiscaal veel gunstigere flexi-job uit te oefenen, vooral in de horeca en de handel.
Voor werknemers in de regeling van de flexi-jobs worden weliswaar reeds (para)fiscale lasten betaald (doordat ze minstens voor vier vijfde in een reguliere baan zijn tewerkgesteld).
Dit verantwoordt evenwel niet dat hun bijkomende arbeid gunstiger behandeld wordt dan de arbeid die werknemers verrichten voor het vijfde deel van een voltijdse baan – arbeid die fiscaal overigens vaak wordt belast op basis van de progressieve tarieven die gelden voor de hogere inkomensschalen.
Iets wat al zeker niet opgaat voor gepensioneerde werknemers met een flexi-job.
|
Om duidelijk te maken hoe fundamenteel de opmerkingen van de Raad van State zijn, wordt door de Raad van State expliciet verwezen naar enkele precedenten op het vlak van regelingen die een verschil in behandeling met zich meebrengen. Zo wordt verwezen naar het feit dat het Grondwettelijk Hof, in navolging van de Raad van State, oordeelde dat een redelijke verantwoording ontbrak voor het verschil in behandeling tussen een verenigingswerker en een deeltijdse werknemer die dezelfde activiteit uitoefent. En dat hetzelfde Hof, opnieuw in navolging van de Raad van State, betreffende de zogenaamde ‘cash for car’-regeling vaststelde dat het verschil in behandeling tussen werknemers die de mobiliteitsvergoeding niet genoten en wier loon in zijn geheel was onderworpen aan fiscale en sociale bijdragen, en de werknemers die een vrij te besteden financiële vergoeding ontvingen die fiscaal en sociaal bevoorrecht was, niet kon worden verantwoord, aangezien de mobiliteitsvergoeding geen naar de aard ervan doelgericht voordeel in natura betrof, maar een voordeel in geld, waarvan de aanwending niet noodzakelijk doelgericht was. Evenmin was gewaarborgd dat de begunstigde geen individueel voertuig meer zou gebruiken voor zijn woon-werkverplaatsingen. |
Waarna de Raad van State nogmaals duidelijk stelt dat het ernstige twijfels heeft over de verenigbaarheid van de verdere uitbreiding van het toepassingsgebied van de regeling van de flexi‑jobs met de grondwettelijke beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie.
Conclusie
Indien het voorontwerp van wet niet fundamenteel aangepast wordt in navolging van de opmerkingen van de Raad van State, staat een vernietiging door het Grondwettelijk Hof van de nieuwe bepalingen zo goed als vast.
Net omdat door de beoogde veralgemening van het stelsel van flexi-jobs, er geen afdoende verantwoording meer is om arbeid in het kader van flexi-jobs gunstiger te behandelen op arbeids-, sociaal- en fiscaalrechtelijk vlak dan reguliere arbeid.
Wat eigenlijk tot gevolg heeft dat van de beoogde veralgemening geen sprake kan zijn.
Auteur: lander.vanderlinden@abvv.be