Re-integratie van langdurig zieken verandert opnieuw vanaf 1 januari 2026

Gepubliceerd op

Op 30 december 2025 verscheen in het Belgisch Staatsblad een nieuwe wet die het algemene kader voor de terugkeer naar werk scherper maakt middels een reeks nieuwe sancties, beperkingen op het gewaarborgd loon en extra responsabilisering van de betrokken partijen in te voeren, met name voor werknemers, werkgevers, mutualiteiten en artsen. 

Op dezelfde datum werd ook een nieuw KB gepubliceerd dat de procedure voor re-integratie bij de eigen werkgever wijzigt (zgn. "RIT 3. 0"). De nieuwe bepalingen van het KB hebben de procedure uit de Codex Welzijn op het Werk op een aantal fundamentele punten gewijzigd. Alle aangebrachte wijzigingen hebben tot doel uitvoering te geven aan het regeerakkoord van de Arizona-regering.

In dit korte overzicht sommen we de belangrijkste wijzigingen op. Om er dieper op in te gaan, organiseren we op 28 januari 2026 in de voormiddag een webinar, waarvoor je je via deze link kan inschrijven: Webinar van het ABVV over re-integratie van langdurig zieken

Wat is er veranderd sinds 1 januari 2026?

Responsabilisering van langdurig zieken

De bestaande sancties, waaronder de sanctie die wordt opgelegd bij het niet invullen van een vragenlijst van de terug-naar-werkcoördinator, zullen worden verscherpt. In plaats van de huidige sancties van 2,5 % van de daguitkering, riskeren de betrokkenen voortaan een sanctie van 10 %. Een ongerechtvaardigde afwezigheid op een fysiek contact met de adviserend arts van de mutualiteit kan voortaan leiden tot de volledige stopzetting van de ziekte-uitkering. Er zullen ook nieuwe sancties worden ingevoerd, met name in geval van niet-tijdige inschrijving bij de regionale arbeidsbemiddelingsdiensten en in geval van een tweede afwezigheid bij een fysiek contact met de arbeidsarts.

Responsabilisering van de werkgevers

Om werkgevers te responsabiliseren, worden strafrechtelijke sancties ingevoerd voor werkgevers die geen formeel re-integratietraject opstarten. Dit geldt voor werknemers die langer dan zes maanden arbeidsongeschikt zijn en die arbeidspotentieel hebben. Deze sanctie geldt echter alleen voor werkgevers met twintig of meer werknemers.

Het huidige systeem van responsabiliseringsbijdragen wordt vanaf 1 april afgeschaft. Binnen dit systeem worden bijdragen geïnd voor een bovenmaatse instroom in de invaliditeit (0,625% van de RSZ-onderworpen lonen van het kwartaal voorafgaand aan het kwartaal waarin er sprake is van een bovenmaatse instroom), op basis van een vergelijking tussen de sectoren en de hele privésector. Het nieuwe systeem van solidariteitsbijdragen is op 1 januari 2026 in werking getreden. 

De werkgevers, die geen kmo zijn (minder dan 50 werknemers), zullen een solidariteitsbijdrage van 30 % van de primaire ongeschiktheidsuitkering moeten betalen voor de twee maanden van primaire arbeidsongeschiktheid die volgen op de dertigste dag van de primaire arbeidsongeschiktheid en die ten laste is van het RIZIV. Werknemers jonger dan 18 en ouder dan 54 jaar worden uitgesloten uit dit systeem. Daarnaast worden ook de uitzendsector, flexi-jobs en werknemers van maatwerkbedrijven er niet mee in opgenomen.

Het geïnde bedrag zal overeenkomstig de recente wetswijziging worden gestort naar het Globaal Financieel Beheer van de RSZ en zal dus niet langer beschikbaar zijn voor de sectoren. Dit is het belangrijkste verschil met de responsabiliseringsbijdragen (de sectoren konden de opbrengst van de deze bijdragen gebruiken voor collectieve preventie). 

De “Vierde golf”21 van maatregelen inzake langdurig zieken van de Minister van Volksgezondheid F. Vandenbroucke voorziet in een uitbreiding van de solidariteitsbijdrage naar ook de vierde en de vijfde maand van de arbeidsongeschiktheid (vanaf 1 januari 2027). Volgens dit plan zouden de inkomsten via een lastenverlaging in zijn geheel teruggaan naar de bedrijven die onder de maatregel vallen.  Het laatste blijft nog evenwel in een ontwerpfase. 

Responsabilisering van de mutualiteiten

Het vast gedeelte van het bedrag aan administratiekosten dat jaarlijks aan de mutualiteiten wordt toegekend, wordt meer afhankelijk gemaakt van de mate waarin de mutualiteiten er effectief in slagen om arbeidsongeschikte gerechtigden te re-integreren op de arbeidsmarkt. Het ABVV vreest dat deze financiële druk zal doorsijpelen tot de adviserend artsen, die arbeidsongeschikte gerechtigden (te) snel richting arbeidsmarkt zullen dirigeren.

Responsabilisering van de artsen (GAOCIT-databank)

Binnen het RIZIV wordt een “GAOCIT-databank” opgericht om alle medische attesten te registreren en te analyseren met als doel “oneigenlijk gebruik van therapeutische relaties” van arbeidsongeschikte gerechtigden en “oneigenlijk voorschrijfgedrag” van behandelende artsen aan te pakken. 

Met andere woorden, de nieuwe wet legt de basis voor het opvolgen en analyseren van alle medische attesten om eventuele afwijkingen (te veel ziekteattesten, te vaak wisselen van behandelende arts, te lange ziekteattesten ten opzichte van de norm) op te sporen en, indien nodig, te bestraffen. Op dit moment is het echter onmogelijk om te bepalen wat wel en wat niet onder de “norm” valt, omdat de beschikbare gegevens nog geen duidelijke grenzen laten zien. Het verzamelen en analyseren van uitgereikte attesten is ongetwijfeld een eerste stap naar verdere responsabilisering van behandelende artsen en hun patiënten. 

Sinds 1 januari 2026 is ook van kracht dat de behandelend arts bij de voorgeschreven periode van arbeidsongeschiktheid de duur van drie maanden niet mag overschrijden. 

In ieder geval vindt het ABVV de uitbreiding van het soort beschikbare gegevens van de databank, naar gerechtigden die van verschillende artsen een arbeidsongeschiktheidsattest bekomen, zorgwekkend. Het oprichten van een dergelijke databank lijkt ook in alle opzichten buiten proportie, gezien de andere controlemechanismen die al bestaan en waarmee zowel werknemers (controleartsen) als artsen (contactpunt voor oneerlijke concurrentie, tuchtprocedures bij de beroepsorde) al kunnen worden gecontroleerd.  

Beperking van het recht op gewaarborgd loon

Als de werknemer arbeidsongeschikt wordt, ontvangt hij of zij gedurende de eerste maand een gewaarborgd loon. De berekening ervan is anders voor arbeiders (deels vergoed door de werkgever en deels door het RIZIV) en bedienden (meestal vergoed door de werkgever). Het is ook mogelijk dat een werknemer gedurende verschillende opeenvolgende periodes arbeidsongeschikt is. Wanneer twee ongeschiktheden elkaar opvolgen zonder onderbreking (bijvoorbeeld een ongeval gevolgd door een ziekte, opeenvolgende ziektes van verschillende aard….), is er slechts sprake van één enkele periode van ongeschiktheid en is het gewaarborgd loon niet opnieuw verschuldigd. Wanneer een volgende ongeschiktheid zich daarentegen voordoet na een gewone werkhervatting, spreekt men van herval. 

In dat geval was het gewaarborgd loon in principe niet opnieuw verschuldigd wanneer zich een nieuwe arbeidsongeschiktheid voordoet binnen veertien dagen. Voor de periodes van arbeidsongeschiktheid begonnen na 1 januari 2026 wordt deze periode verlengd tot acht weken. 

En wat bij progressieve werkhervatting?

Sinds 1 januari 2026 werd het gewaarborgd loon volledig geneutraliseerd in het kader van een progressieve werkhervatting (voorheen: een gedeeltelijke neutralisatie van het gewaarborgd loon gedurende de eerste twintig weken progressieve werkhervatting). De werknemers die na een periode van ziekte gedeeltelijk werk hadden hervat en daarna opnieuw ziek worden, verliezen hun recht op het gewaarborgd loon. De volledige neutralisatie van het recht op het gewaarborgd loon is van toepassing op de periode van arbeidsongeschiktheid begonnen na 1 januari 2026. 

Beperking van het vermoeden van arbeidsongeschiktheid

Wie na 1 januari 2026 een terug-naar-werk traject start, kan tijdens dit traject toch nog worden opgeroepen voor controle. Het vermoeden van arbeidsongeschiktheid werd namelijk afgeschaft. Dit vermoeden van arbeidsongeschiktheid betekende dat wie een re-integratieplan of een positieve engagementsverklaring had ondertekend gedurende een periode van maximaal zes maanden de staat van arbeidsongeschiktheid kon behouden. Tijdens dit vermoeden van arbeidsongeschiktheid was het niet mogelijk om de staat van arbeidsongeschiktheid opnieuw te evalueren. 

Vandaag kan de staat van arbeidsongeschiktheid dus wel opnieuw worden geëvalueerd.  Het vermoeden van arbeidsongeschiktheid blijft enkel behouden tot een periode van hospitalisatie en de welbepaalde periode waarin het voor de gerechtigde verboden is om naar zijn werk te gaan omdat hij in contact is gekomen met iemand die aangetast is door een besmettelijke ziekte. Het ABVV betreurt deze afschaffing, omdat het vermoeden van arbeidsongeschiktheid vermeed dat een “Terug Naar Werk-traject” gezien wordt als een risico op verlies van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. 

Beperking van de vrijstelling van het voorleggen van het ziekteattest voor de eerste dag ziekte 

Voortaan zullen de werknemers vrijgesteld worden van het voorleggen van een medisch attest voor de eerste dag ziekte, maximum twee keer per jaar, wat vroeger drie keer per jaar mogelijk was. Andere regels blijven wel van toepassing: de kleinere ondernemingen mogen nog altijd bij een cao of arbeidsreglement expliciet afstand doen van deze mogelijkheid. Ook blijven de gunstigere maatregelen gelden, zoals bijvoorbeeld geen beperking van het aantal vrijstellingen per jaar of een groter aantal opeenvolgende ziektedagen zonder attest.

Versnellen van de procedure van medische overmacht

De wachttijd om een bijzondere procedure medische overmacht te starten, wordt verkort van negen naar zes maanden arbeidsongeschiktheid. De andere cumulatieve voorwaarden op deze procedure te kunnen opstarten blijven onveranderd, met name het niet hebben van een lopend (formeel) re-integratietraject en het doorlopen van een bijzondere procedure bij de arbeidsarts. Er is geen specifieke overgangsregeling voorzien bij de nieuwe wet. De nieuwe termijn van zes maanden (i.p.v. negen) is dus direct van toepassing sinds 1 januari 2026 (ook voor de periodes arbeidsongeschiktheid begonnen voor deze datum). 

Wijziging van re-integratieprocedures bij de eigen werkgever (zgn. “RIT 3.0”)

Naar aanleiding van het nieuwe KB werden er verschillende wijzigingen aangebracht in de Codex over het welzijn op het werk:

  • De communicatie tussen de arbeidsarts, de adviserend arts en de behandelend arts over de gezondheidstoestand van een werknemer moet voortaan gebeuren via het TRIO-platform en wordt geïntensifieerd (bv. ook meedelen van de resultaten van de beroepsprocedures tegen beslissingen van de arbeidsarts in het kader van re-integratieprocedure met de adviserend arts en de behandelend arts);
  • Bezoek voorafgaand aan de werkhervatting op vraag van de werkgever wordt voortaan ook mogelijk (nu is het enkel mogelijk op vraag van de werknemer);
  • De mogelijkheid voor de werknemer om een aanpassing van het werk te vragen om te vermijden dat hij ziek zou uitvallen (preventief traject) wordt expliciet opgenomen in de codex;
  • Er werd een nieuw begrip van arbeidspotentieel ingevoerd, alsook de manier van zijn inschatting door de arbeidsarts en zijn verpleegkundig personeel;
  • De werkgever wordt verplicht om contact te onderhouden met de arbeidsongeschikte werknemer (in het arbeidsreglement dient volgens een gewone wijzigingsprocedure opgenomen te worden door wie de arbeidsongeschikte werknemer gecontacteerd zal worden en de frequentie van het contact);
  • Het re-integratietraject zelf wordt op een aantal punten aangepast:
  • Zo zal de werkgever vanaf het begin van de arbeidsongeschiktheid een re-integratietraject kunnen opstarten mits toestemming van de werknemer (de werknemer kan dit ten allen tijde), en moet de werkgever vanaf acht weken arbeidsongeschiktheid een inschatting van het arbeidspotentieel vragen aan de arbeidsarts, waarna er uiterlijk zes maanden na het begin van de arbeidsongeschiktheid een traject moet worden opgestart als er daadwerkelijk sprake is van arbeidspotentieel;
  • De uitnodigingen van de arbeidsarts moeten aangetekend worden verzonden, en als de werknemer niet ingaat op de uitnodiging, moet deze informatie aan de adviserend arts worden meegedeeld (met het oog op een mogelijke sanctie);
  • Er wordt doorverwezen naar de regionale arbeidsbemiddelingsdiensten als de werknemer niet meer bij de eigen werkgever aan de slag kan. 

Tot slot kan men vaststellen dat de recente wijzigingen de betreurenswaardige lijn volgen van het regeerakkoord van de Arizona-regering. Op enkele licht positieve elementen na blijft de inhoud van de wijzigingen dezelfde: meer controle en sancties, minder maatwerk, overleg, vertrouwen en autonomie. Het is niettemin belangrijk om onze politieke strijd, alsook het vakbondswerk op het vlak van begeleiding en het informeren van langdurig zieken voort te zetten. Op 28 januari 2026 (in de voormiddag) organiseren we een webinar om de belangrijkste wijzigingen met betrekking tot de re-integratie van langdurig zieken op een rijtje te zetten. Ook de brochure van de federale ABVV over re-integratie wordt binnenkort bijgewerkt om onze leden en afgevaardigden wegwijs te maken in het steeds complexere landschap van de re-integratieregels.

Auteurs: Niels.MORSINK@abvv.be; Anna.MAKHOVA@abvv.be