Eerste stappen richting registratieplicht arbeidstijd

Gepubliceerd op

Op 14 mei 2019 werd door het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak C-55/15 (CCOO/Deutsche Bank) een baanbrekend arrest geveld. In een notendop worden werkgevers nu verplicht tot het registreren van de dagelijkse arbeidstijd (overuren inbegrepen) van elke individuele werknemer.

Dit moet via een toegankelijk, objectief en betrouwbaar registratiesysteem gebeuren. Deze uitspraak werd nog eens herbevestigd in een arrest van 19 december 2024. Daarbij werd verduidelijkt dat deze registratieplicht ook geldt voor werkgevers van huisarbeiders.

Begrotingsopmaak 2026

Tot nog toe liet onze regering (en de wetgevende macht) na om het arrest van 14 mei 2019 om te zetten in Belgische arbeidsreglementering. Ondertussen zijn we al bijna zeven jaar verder. Lichtpunt aan het einde van de tunnel: eind november 2025, tijdens de begrotingsopmaak voor 2026, heeft de Arizona-regering dan toch beslist om de registratie van de arbeidstijd te verplichten. Weliswaar pas vanaf 1 januari 2027, maar beter laat dan nooit.

Adviesvraag Nationale Arbeidsraad

Zo’n vier maanden later, op 26 maart 2026, is bij de Nationale Arbeidsraad (NAR) een adviesvraag van de minister van Werk toegekomen. Deze adviesvraag betreft het voorontwerp van wet, waarmee de invoering van de registratieplicht arbeidstijd eindelijk een feit kan worden. Een welgekomen eerste stap, maar allesbehalve voldoende. Er zijn namelijk fundamentele kritieken te uiten op het voor advies voorgelegde voorontwerp.

Kritieken

Een van de eerste punten van kritiek, is het volledig negeren van het aspect ‘toegankelijkheid’, terwijl dit wel fundamenteel is. De geregistreerde gegevens moeten namelijk toegankelijk zijn voor zowel de werknemer zelf als voor de werknemersvertegenwoordigers.

Daarnaast sluit het voorontwerp ook hele groepen werknemers uit van het toepassingsgebied ervan, zoals bijvoorbeeld ‘vertrouwensposten’. De richtlijn 2003/88 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd spreekt echter nergens van enige uitzondering voor dergelijke ‘vertrouwensposten’.

In lijn hiermee is het niet minder frappant dat ‘huisarbeiders, waaronder telewerkers’ door het voorontwerp uitgesloten worden. Zeker in het licht van het arrest van 19 december 2024, dat net draait rond huisarbeiders en waarin het Hof geoordeeld heeft dat de verplichting integraal van toepassing is op huishoudelijk personeel.

Ook voor reizend personeel (volgens de in het voorontwerp eraan gegeven definitie van ‘werknemers waarvan de functie bestaat uit het uitvoeren van prestaties buiten de vaste vestiging van de werkgever, en die zich daartoe op regelmatige en structurele wijze verplaatsen naar klanten, prospecten of interventieplaatsen’) valt geen enkel argument te bedenken om deze uit te sluiten.
Zeker gezien de rechtspraak van hetzelfde Hof betreffende de verplaatsingstijd. Daarin wordt duidelijk gesteld dat de verplaatsing vanuit de woonplaats naar een eerste klant, en vanuit de laatste klant naar de woonplaats, als arbeidstijd moet worden gezien.

Dat er een overgangsperiode voorzien wordt, valt te betreuren. De facto treedt hierdoor de wet pas in werking op 1 april 2027. Bijzonder laat in het licht van alle maatregelen op het vlak van arbeidsduur die de regering doorvoert (en wilt doorvoeren) en die onlosmakelijk leiden tot situaties waarbij de Europese arbeidsduurgrenzen overschreden worden. Zo bijvoorbeeld de uitbreiding van de zogenaamd ‘vrijwillige’ overuren en de flexi-jobs.

Tot slot kan het betreurd worden dat met de uitbreiding van ‘vrijwillige’ overuren en flexi-jobs, niet direct een verplichting tot elektronische arbeidstijdsregistratie ingevoerd wordt. Evenals het op elke werkplek voorzien, waarbij sprake is van een onmiddellijke toegang tot het systeem voor de inspectiediensten.

De eerste stappen zijn nu genomen, maar er is nog een lange weg te gaan om de Belgische reglementering te conformeren aan de Europese rechtspraak.

Auteur: Lander.vanderlinden@abvv.be